Wat zijn ATEX-zones? Zone 0, 1, 2, 20, 21 en 22 uitgelegd

Voordat je een ATEX-ventilator kiest, moet je weten in welke zone hij terecht komt. Die zone bepaalt namelijk welke categorie apparatuur vereist is en daarmee direct de specificaties en de certificeringseisen. Toch is de zoneclassificatie voor veel mensen een grijs gebied. In dit artikel leggen we het stap voor stap uit.

Waarom is zonering nodig?

Een explosie heeft drie ingrediënten nodig: een brandbare stof, zuurstof en een ontstekingsbron. ATEX-regelgeving probeert dat derde element, de ontstekingsbron, te elimineren door te eisen dat alle apparatuur in gevaarlijke zones zo gebouwd is dat vonkvorming, oververhitting en elektrostatische ontlading worden voorkomen. Maar niet iedere zone is even gevaarlijk: de kans op een explosieve atmosfeer varieert enorm. Vandaar het zonesysteem.

De zoneclassificatie is de verantwoordelijkheid van de werkgever of gebouweigenaar. In de praktijk wordt dit gedaan door een gecertificeerde ATEX-specialist, die het zoneringsplan vastlegt in een Explosieveiligheids Document (EVD).

Gaszones: zone 0, 1 en 2

Gaszones gelden voor omgevingen waar brandbare gassen, dampen of nevels aanwezig kunnen zijn.

Zone 0: de explosieve atmosfeer is continu of vrijwel altijd aanwezig. Concreet: de binnenkant van een opslagtank met brandbare vloeistof, of het binnenste van een procesreactor. Je kunt er vanuit gaan dat er altijd een brandbaar gas-luchtmengsel aanwezig is. Vereist: categorie 1G apparatuur (EPL Ga). Dit is de zwaarste en kostbaarste categorie.

Zone 1: de explosieve atmosfeer ontstaat regelmatig tijdens normaal gebruik. Concreet: de ruimte rondom pompafdichtingen bij een chemische installatie, of nabij vulpunten van tankwagens. Niet altijd gevaarlijk, maar wel met enige regelmaat. Vereist: categorie 2G apparatuur (EPL Gb).

Zone 2: de explosieve atmosfeer ontstaat alleen bij een storing of abnormale situatie. Concreet: opslaggebieden met gecontroleerde ventilatie, of de omgeving rondom een zone 1-gebied. Pas gevaarlijk als er iets misgaat. Vereist: categorie 3G apparatuur (EPL Gc). Dit is veruit de meest voorkomende categorie: meer dan 80% van alle gaszones valt in zone 2.

Stofzones: zone 20, 21 en 22

Stofzones gelden voor omgevingen waar brandbaar stof in de lucht aanwezig kan zijn. Denk aan graanopslag, suikerfabrieken, houtbewerkingsbedrijven en productielijnen met poedervormige grondstoffen.

Zone 20: er is altijd of vrijwel altijd een brandbare stofwolk aanwezig. Concreet: de binnenkant van een meelsilo, een suikertransportbuis of een graanmolen. Het stof zweeft er continu in de lucht. Vereist: categorie 1D apparatuur (EPL Da).

Zone 21: een brandbare stofwolk ontstaat regelmatig tijdens normaal gebruik. Concreet: de directe omgeving van vulstations voor meelzakken, of rondom zeefinstallaties voor poeder. Bij normaal gebruik komt er regelmatig stof vrij. Vereist: categorie 2D apparatuur (EPL Db).

Zone 22: een brandbare stofwolk ontstaat alleen bij een storing. Concreet: opslaggebieden voor zakken met poedervormig materiaal, of ruimtes naast een silo waar normaal geen stof vrijkomt maar waar bij een defect aan een filter of afdichting stofophoping kan ontstaan. Vereist: categorie 3D apparatuur (EPL Dc).

Een handige vuistregel

Zou je daar een aansteker aan kunnen steken tijdens normaal gebruik? Zone 0/20 betekent: ja, altijd. Zone 1/21 betekent: soms. Zone 2/22 betekent: alleen als er iets misgaat.

Een hogere categorie (bijv. 2G in een zone 2) mag altijd worden toegepast, een lagere categorie nooit. Het is dus altijd veilig om een “zwaardere” ventilator te kiezen dan strikt vereist. De formele zoneclassificatie moet echter altijd door een gecertificeerde specialist worden vastgesteld.

Meer weten of hulp nodig bij de selectie?

Wij leveren ATEX-gecertificeerde ventilatoren voor nagenoeg iedere toepassing.

Bekijk ons aanbod ATEX ventilatoren of neem direct contact met ons op.

Bas-rond
Ontvang je graag direct advies? Neem contact met ons op!​

Wij zijn bereikbaar van maandag t/m vrijdag van 8:30 tot 17:00 uur